Het schaap is een herkauwer met een complex magenstelsel met een grote pens waarin de afbraak van ruwe celstof bestanddelen plaats heeft door micro-organismen. Door de pens kan het schaap grote hoeveelheden laagwaardig ruwvoer verwerken.

Het voeder wordt herkauwd. Daardoor wordt het verkleind en met speeksel vermengd waarna het terugkomt in de pens om verder te worden afgebroken en te worden opgenomen als voeding.

Een goed gebit is noodzakelijk om goed te kunnen grazen en herkauwen. Let dus steeds op de stand en de kwaliteit van het gebit bij de beoordeling van uw schapen.

Ook de kwaliteit van de vezels van het ruwvoer is belangrijk. Vooral de lengte van de vezels is belangrijk op de penswerking optimaal te houden.

Schapen scheiden mest af met een lager watergehalte dan runderen. Ze komen dus met relatief weinig water toe. Toch moeten de dieren steeds over vers water kunnen beschikken, in het bijzonder wanneer ze drachtig of melkgevende zijn.

Voeding van de ooien.

Na het spenen tot ongeveer halverwege de dracht krijgen de ooien het zogenaamde onderhoudsrantsoen. Dit is op de weide gewoon gras en in de stal voldoende hooi. Beoordeel de kwaliteit van het gras en zorg ervoor dat de dieren in de stal over prima kwaliteit hooi beschikken. Ze vullen in die periode de lichaamsreserves aan en produceren verder alleen wol.

Hoogdrachtige en zogende ooien worden gevoederd naar de te verwachten worpgrootte en melkproductie. De ooien worden beoordeeld op hun conditie (betasten van de rug en lenden) en eventueel gescand om de worpgrootte te kunnen bepalen. Op die manier kunnen groepen worden gemaakt waardoor de voeding voor alle dieren optimaal is. Een veel voorkomend euvel is het te rijk voeden van éénjarige ooien drachtig van één lam waardoor het lam te groot wordt in de baarmoeder en daardoor moeilijk geboren wordt.

Bij goede kwaliteit ruwvoer hebben de ooien meestal voldoende aan 0,5 kg krachvoer. Zogende ooien kunnen meer nodig hebben, tot ongeveer 1 kg per dag. Hoogdrachtige en zeer vruchtbare ooien krijgen iets meer. Dit voorkomt acetonaemie en verhoogt de melkproductie. Het geven van krachtvoer aan de ooien wordt gestopt drie weken na het lammeren. De lammeren zelf moeten kunnen blijven beschikken over krachtvoer. Een adequate stalindeling moet dit mogelijk maken.

Het toedienen van mineralen onder de vorm van likstenen bijvoorbeeld kan nuttig zijn. Hou de stenen evenwel zo droog mogelijk om te grote opname te vermijden.

Voeding van de lammeren.

op zoek.jpg (17789 bytes)Pas geboren lammeren moeten snel biestmelk opnemen. Biest bevat immuunstoffen die de lammeren zelf niet in zich hebben. Meetsal gebeurt de biest opname vanzelf. Wanneer je merkt dat het lam niet zoogt geef je het zelf best biestmelk. Dit kan gebeuren met een sonde of een eenvoudige speenfles. Is geen schapenbiest beschikbaar, geef dan runderbiest. De landbouwer in uw buurt zal dit zeker voor u invriezen.Vraag wel naar een mengeling van biest van minstens twee koeien. Vergeet ook niet de spenen van de ooien door te trekken en te controleren of er voldoende melkproductie is.

In de eerste weken moeten de voormagen zich ontwikkelen. Lammeren moeten tenminste 4 weken zogen of kunstmelk hebben. Na die periode nemen de lammeren spontaan reeds kleinere hoeveelheden ruwvoer op en gaan ze mee eten aan het krachtvoer wanneer de ooien dit gevoederd krijgen. In hun aparte hokje met kleine opening waar zij wel doch de ooien niet door kunnen, staat steeds volop krachtvoer. Let erop dat u de lammeren en niet het ongedierte op die manier voedt.

De lammeren worden gespeend op een leeftijd van 9 tot 11 weken. Scheid vanaf dan definitief de ooien en lammeren en geef alleen de lammeren nog krachtvoer. Bepaal welke lammeren moeten worden geslacht en welke gehouden worden voor verdere fok.

Wanneer het lam moederloos is of de melkproductie van de ooi onvoldoende is voor bijvoorbeeld een twee -of drieling te voeden dan moet worden overgeschakeld op kunstmatige opfok. Gebruik daarvoor kunstmelkpoeder voor lammeren. Reken op een opfokperiode van 4 of 5 weken. Daarna wordt er voldoende ruw -en krachtvoer opgenomen.